bos_zomer.jpgSoms zijn er van die momenten waarop je geheel onverwachts een bijzonder gesprek hebt met een totaal onbekende. Wellicht ben je dan meer toegankelijk voor andere mensen en sta je er meer open voor? Heel bijzonder eigenlijk.

Het begon die ochtend met een spontaan gesprek met de postbode. We begroetten elkaar altijd wel, als ik met de fiets voorbij sjeesde op weg om mijn zoontje naar school te brengen. Deze keer was ik de auto aan het wassen, een fenomeen op zich zogezegd en vroeg ze hoe het met mijn zoontje ging. Een postbode weet alles, voor Thomas bezorgt ze wekelijks de Donald Duck. Ik zag er waarschijnlijk wat hulpeloos uit, terwijl ik de inhoud van de motorkap aandachtig bekeek en er ontspon zich een spontaan gesprek. Het begon over auto's en ging langzamerhand over naar kinderen, opvoeding, het loslaten ervan. Al met al een leuk gesprek. Ze vertelde dat zij pas was gaan werken toen de kinderen groot waren. Dat was toch wel goed voor ze, was de gedachte, 'maar iedereen zo z'n eigen manier natuurlijk! Volgens mij denk jij er ook wel zo over...'   

Even later, na het schoonmaakgebeuren, werd er gebeld door de pakketdienst. Tegenwoordig niet echt een ongewoon fenomeen te noemen, want er worden nog weleens wat pakketjes bezorgd bij ons thuis. Vrijwel altijd is dit bestemd voor mijn wederhelft. Het gaat dan van 'Oh, vandaag wordt er een pakketje bezorgd.' 'Alweer?' 'Papa krijgt altijd maar weer pakjes!' doet zoonlief een duit in het zakje.Vandaag was niet anders. Ik ontving het pakje en wilde alweer de deur sluiten toen de jongen van de pakketdienst zei dat er nog iets bijhoorde. Hij kwam met een enorme doos aansjouwen? Ik checkte voor de zekerheid het adres en de naam, het klopte allemaal. Ik weet trouwens nu nog niet precies wat het is, maar ook hier raak je aan gewend. Ook de jongen van de pakketservice was wel in voor een praatje. 'Ja, soms ga ik wel 6 keer per week langs bij het hetzelfde adres. Het is wel zo gemakkelijk hoor, de mensen bestellen en ik haal het weer op als het niet naar hun zin is. Wel hard werken, want ik werk 6 dagen per week en soms maak ik 10uur per dag. Geeft niets hoor, want zo verdien ik mijn geld en blijven we de concurrentie voor.' Ik maakte de opmerking dat ze goed werk verrichtten en merkte op dat ik het wel handig vond om te weten dat ze gratis ook weer spullen ophaalden. Niet dat ik nu zoveel bestel via het Internet, liever bezoek ik nog een winkel, maar you never know....

Diezelfde avond op de atletiekvereniging van mijn zoon, ging ik op een bankje zitten in de buurt van een wat oudere man. Geduldig wachten de ouders/grootouders doorgaans, totdat het stelletje sportievelingen weer is uitgesport om hierna weer naar huis te snellen voor het avondeten. Zo'n vereniging drijft op vrijwilligers, dus onnodig te vermelden dat de tijden niet altijd goed uitkomen voor de werkende huisvrouw. Het moet na het werk gebeuren, maar ook weer niet te laat omdat de kinderen niet ouder dan 7 jaar zijn. Maargoed, fijn dat ze er zijn, want zo blijft de vereniging betaalbaar voor iedereen.

Ik maakte de opmerking dat ze nu wel erg sportief waren, omdat de temperatuur op het rode asfalt boven de 27/28graden uitkwam. Het was even stil, toen vertelde hij dat ook hij vroeger veel gesport had, gelopen, gefietst, gewandeld. 'Dat zat er nu niet meer in.' Ik dacht even na. 'Ja, je kunt hier ook leuk fietsen,' zei ik. 'Fietst u nu niet meer?' 'Dat kan ik niet meer. Ik ben terminaal!' Dat was onverwachts. 'Oh,' was het enige wat ik uit kon brengen, ik was stil en bezon me op een passende opmerking. Wat kun je zeggen tegen iemand waarbij binnenkort alles stopt, op deez aard.. Bestaan er dan nog opbeurende opmerkingen, die je als vreemdeling kunt maken? Het geloof kan eventueel troostende woorden bieden, echter wat zeg je tegen een onbekende? Bovendien zag deze man er zeer strijdlustig uit. 'Fijn dat u nog zo met uw kleinkinderen kunt zijn,' merkte ik voorzichtig op. De stilte verbrekend. De man keek een tijdje naar zijn kleindochter en vertelde toen kort over zijn kinderen en kleinkinderen, die overigens niet allemaal in de buurt woonden, 'maar dat was hun eigen keuze. Vroeger op een penthouse gewoond in de nieuwe buurt,' zei hij. Ik informeerde naar de precieze locatie. Ik kijk altijd met enige afgunst naar die prachtige penthouses in de buurt. 'Nee, daar was het niet,' zei hij kortaf, 'die zijn vrij klein...' Dat zou je vanaf de buitenkant niet zeggen, maar hij kon het weten, natuurlijk. Ik bekijk ze alleen maar met enige bewondering vanaf een afstand.

'Ik ben daar weggegaan,' ging hij door. 'Dat geneuzel van de vereniging van eigenaren was ik zat. Als je zo'n huis niet kunt betalen, moet je er niet gaan wonen!' Daar gaf ik hem gelijk in, met alleen een hypotheek kom je er niet. 'Nu wonen we in een groot huis, vrijstaand, lekker rustig.' Het was even stil. 'Wel veel te groot voor mijn vrouw alleen,' zei hij nuchter. Even kromp hij ineen, maar vermande zich weer moedig. Er kwam een oudere jongen de baan oplopen. 'Kijk dan toch, die ouders moeten dat toch verbieden!' De jongen liep wat houterig en kwam niet echt als rasechte loper over. Zou hij dat bedoelen? 'Zo'n jongen doe je toch niet op atletiek, je snapt die ouders gewoon niet! Trouwens je kunt beter een andere sport uitzoeken, veel te individueel. Neem een teamsport, veel beter voor het kind.' Ik keek eens naar de kinderen, het was een klein groepje vandaag in verband met de vakantie. Het verschil jongens-meisjes was hier goed te zien. De jongens deden hun best om zo snel mogelijk te lopen en elkaar in te halen. De meisjes liepen vrolijk naast elkaar en babbelden er lustig op los. Prachtig om te zien. Zijn eigen kleindochter was daar ook bij. Individueel, maar toch wel gezellig. De les liep af. 'Mij zie je hier niet meer,' zei hij terloops.....

Toen hij langs me heen naar de uitgang liep, knikte hij me nog eens vriendelijk toe. Ik beantwoordde zijn knikje met een vriendelijke glimlach. Wat kun je zeggen? Ik hoop dat hij toch een moment heeft kunnen vergeten. Dat lijkt mij het moeilijkste, afscheid nemen van iedereen die je dierbaar is.

Een paar dagen later gingen we wandelen in een prachtig bos, waar we al jaren graag komen. Er was een grote open plek met een bankje, waar een opa en zijn kleinkind een soort hut aan het bouwen waren. Ik schatte het jongetje wat jonger dan Thomas, echter daar bleek ik mij in te vergissen, Thomas is vrij lang en toont ouder, maar beide jongens bleken 6jaar te zijn. We gingen op het bankje zitten, waar ook de oma van het jongetje zat. 'Hij is zwaar autistisch,' zei ze tegen ons. 'Ik weet niet hoe hij reageert op andere kinderen, het kan goed gaan hoor, maar....' Inmiddels waren Thomas en zijn vader ook in de weer om mee te helpen met de boomhut. Gelukkig bleek het jongetje daar weinig hinder van te ondervinden. 'Hij heeft pas zijn zwemdiploma gehaald,' ging de vriendelijke dame verder. 'Geen echt diploma hoor, een soort sparteldiploma, hij moet nog steeds onder begeleiding zwemmen.' Ik bekeek het jongetje eens aandachtig, maar zo op het oog leek het een heel gewoon jongetje, dat verwoed met zijn opa naar takjes zocht. 'Hij kan ook eindeloos doorgaan met het verzamelen van takken,' ging de dame door. 'Als je niet zegt dat hij moet stoppen, gaat hij gewoon door. Je kunt het trouwens ook niet zeggen tegen hem, dat begrijpt hij niet, dan wordt hij heel boos.' Ze legde uit dat ze met een kaartjessysteem werkten. Gingen zij weg, dan kwam er een plaatje met een auto aan te pas en zo was er een plaatje voor elke denkbeeldige situatie. Ze praatte over haar kleinkinderen. Twee jaar geleden heb ik een kleinkind weg moeten brengen. Ze was even stil. 'Ik had in de loop van haar ziekte een bijzondere band met haar opgebouwd. Het meisje bleek niet ouder te zijn geworden dan 5,5jaar. Ze had een ernstige spierziekte. Vreselijk natuurlijk, wat kun je zeggen. Ze bleef kalm. 'Ik heb 3 kleinkinderen, waarvan 2 ernstig gehandicapt. Hoe kan het toch dit in één familie voorkomt?' Ik kon daar geen antwoord op geven en samen keken we naar de spelende kinderen. Ze gaf ons nog een goede tip voor een leuke plek in het bos en haalde toen een kaartje van een auto tevoorschijn. Ze liet het kaartje aan het jongetje zien en zonder tegen te stribbelen liep hij ernstig met zijn opa en oma mee.

Ik was er stil van. Ik keek naar mijn gezinnetje en bedacht me dat ik het enorm had getroffen.Op dit soort momenten dringt dat besef weer ten volle tot je door. Ontmoetingen als deze maakt dat je extra dankbaar bent voor je gezin en familie. 'Zomaar een praatje' krijgt dan een diepere betekenis en stemt weer tot nadenken. Dat is goed.

Deze week ontbrak een 'visonderwerp' niet. Die avond na de atletiek, toen we naar huis toeliepen, kwamen we een jongen en meisje tegen die aan het vissen waren. De jongen had een voorntje gevangen en het meisje probeerde wanhopig de vis van het haakje te halen. Thomas zat er met zijn lange neus bovenop en toen ik voorzichtig naderbij kwam, vroeg het meisje mij of ik kon helpen. Nu heb ik vroeger vaak gevist met de buurjongens en het zou me nu nog wel lijken, ware het niet dat ik de vis nu niet meer van het haakje zou durven halen. Maar dit was een vis in nood... Ze gaf me een soort pincetje waarmee ik het haakje te lijf kon gaan. Helaas zat het haakje erg diep, ik weet nu inmiddels dat er dan eigenlijk wordt gevist met een te klein haakje, en ik kreeg het niet voor elkaar. Het was akelig, dat arme beest. We besloten de vis even in de emmer te laten zwemmen voor wat zuurstof en om van de schrik te bekomen en plotseling glipte de vis van het haakje, Hoera!, echter niet zonder schade helaas...

Later die week, fietsen Thomas en ik door het park en spotte Thomas een eenzame visser. 'Mam, daar gaan we even een praatje mee maken!' zei hij vastbesloten. 'Oké, ga je gang,' zei ik hem laconiek. 'Jij moet mee,' probeerde hij me te overtuigen. Hij stalde zijn fiets op het grasveld en liep schoorvoetend op het mannetje af. Een jongen bracht hem net een lunchpakketje, zo te zien en fietste toen weer weg. Thomas gebaarde mij dat ik ook van mijn fiets af moest stappen en uiteindelijk zette ik mijn fiets naast die van hem en begon een praatje met de visser. Thomas durfde dat niet. De visser had wel zin in een praatje en vertelde Thomas dat er behoorlijk wat vis zat in de sloot. Ik zag inderdaad heel wat bedrijvigheid in het water, echter dat bleek slecht nieuws. 'Er is dan een snoek in de buurt zodat de voorntjes naar het wateroppervlak toekomen,' legde hij uit. Hij liet Thomas het bakje met visvoer zien. Het krioelde van de maden. De ogen van Thomas werden steeds groter en enigszins angstig hield hij een veilige afstand tussen hem en het bakje. 'Handig hoor,' zei de visser. 'Je kunt ze wel twee weken goedhouden in de koelkast. Als je er een plastic zakje omheen doet, dan ruik je er niets van...' Toen ik dat later thuis vertelde was het commentaar duidelijk, 'die komen er niet in hier!' Net alsof ik dat van plan was, maargoed. Ik vroeg aan de visser of ze dan niet dood gingen in de koelkast, maar daar bleken ze goed tegen te kunnen. Zou je ze gewoon in de (huis)kamer bewaren, dan werden het vliegen en dat wilde je ook niet..

Inmiddels had hij een bescheiden voorntje gevangen en haalde deze zonder problemen weer van het haakje. 'Als je een te klein haakje gebruikt, heb je kans dat deze te diep in de keel van de vis schiet, dat maakt het moeilijk om er weer uit te halen. Het beste knip je het haakje dan gewoon af. Met twee dagen gaat het er wel weer uit.' De vis werd ook direct weer teruggegooid in het water. Dat snapte Thomas niet. 'Waarom gooit u hem weer terug?' vroeg hij verbaasd. 'Tja, je kunt er weinig mee,' was het commentaar. Ik maakte een soort van grappige opmerking dat de vis nu zijn kameraadjes kon waarschuwen. Maar dat kon blijkbaar alleen als je de leider te vangen had genomen. Bij de vrijlating zou de leider zich snel uit de voeten maken, met zijn volgelingen achter zich aan. Vroeger werd deze dan ook apart gehouden...Maarja, dan is de vraag hoe je weet of dit de leider is..Hij had het in een boek gelezen, dus hij wist niet of het waar was. 'Maar op zich zou het best kunnen,' zei hij nadenkend. Thomas en ik besloten weer verder te gaan en namen afscheid van de vriendelijke visser. Thuisgekomen wilde Thomas natuurlijk direct gaan vissen, al was dat met zijn schepnet. Ook Thomas ving een voorntje, ietsje kleiner, en ook deze werd na wat overredingskracht weer teruggegooid in het slootje. Het blijft een leuk tijdverdrijf voor onze enthousiasteling. Misschien later maar eens een echte hengel proberen, tenminste als hij dan eerst maar goed leert hoe hij een vis van het haakje kan bevrijden. Misschien kan de vriendelijke visser in het park hem daar ooit eens bij helpen...